Ja, je moet een artikelstambestand eerst opschonen voordat je gaat tellen. Anders vergelijk je een fysieke werkelijkheid met vervuilde stamdata. De belangrijkste ingrepen zijn meestal drieledig: dubbele of onjuiste artikelcodes verwijderen, eenheden van telling en voorraad eenduidig vastleggen, en statussen zo beheren dat alleen telbare artikelen in de telling komen. Dat sluit aan op GS1-regels voor unieke identificatie van producten en op voorraadlogica in ERP-systemen waarin je vooraf moet bepalen welke artikelen en statussen je wel of niet meeneemt in een telling. GS1 Nederland legt uit dat elke productvariant een eigen unieke code nodig heeft. In de voorraadhandleiding van Microsoft Dynamics GP staat bovendien dat voorraadsystemen werken met itemtypen, itemrecords en stock counts als afzonderlijke inrichtingselementen.
Begin met de vraag: wat wil je precies tellen?
Een telling mislukt vaak niet op de werkvloer, maar in de definitie. Tel je verkoopartikelen, verbruiksmaterialen, retouren, servicevoorraad, afgekeurde voorraad of logistieke dragers? Als die groepen in één artikelstam door elkaar lopen, krijg je telverschillen die niets zeggen over de echte voorraadkwaliteit.
Maak daarom eerst een telafbakening:
- Verkoopbare voorraad: artikelen die fysiek aanwezig en uitleverbaar zijn.
- Niet-verkoopbare voorraad: beschadigd, retour, quarantaine of intern gebruik.
- Logistieke eenheden: doos, pallet, rolcontainer of verzendeenheid.
- Historische of uitgefaseerde artikelen: niet meer actief, maar mogelijk nog met restvoorraad.
Die indeling voorkomt dat bijvoorbeeld een uitlopend artikel toch op telkaarten verschijnt, of dat een palletcode als afzonderlijk verkoopartikel wordt meegeteld.
Dubbele codes eerst oplossen, niet tijdens de telling
Een artikelstam hoort één artikel maar op één manier herkenbaar te maken. Bij GS1 is dat uitgangspunt expliciet: elke productvariant heeft een eigen unieke code. Op de pagina over digital identity van GS1 Nederland staat bijvoorbeeld dat kleur, maat of verpakking invloed kan hebben op het aantal benodigde codes. Praktisch betekent dat: een zwarte sok maat M en een witte sok maat M zijn geen cosmetische varianten in je artikelstam, maar aparte artikelen als je ze apart verkoopt.
Controleer daarom op drie soorten dubbelen:
- Exacte dubbelen: hetzelfde artikelnummer of dezelfde barcode op meerdere stamrecords.
- Functionele dubbelen: verschillende interne codes voor hetzelfde fysieke artikel.
- Verpakkingsdubbelen: stuk, doos en pallet zijn als losse artikelen aangemaakt zonder heldere relatie.
Beslis per conflict welk record leidend is. Laat daarna oude records niet stilzwijgend bestaan, maar zet ze op een geborgde inactieve status met blokkade voor nieuwe transacties. Zo voorkom je dat inkopers, magazijnmedewerkers of scanners alsnog op een oud nummer boeken.
Verwar productcodes niet met logistieke codes
Een veelvoorkomende fout is dat een logistieke eenheid wordt behandeld alsof het een productartikel is. In de praktijk helpt het om productcodes en logistieke labels niet door elkaar te gebruiken: een productvariant hoort als artikel herkenbaar te zijn, terwijl een pallet- of verzendlabel vooral bedoeld is om een logistieke eenheid te volgen.
Voor je telling betekent dat:
- tel producten op hun artikelniveau;
- gebruik logistieke labels om een pallet of zending te volgen;
- maak alleen een apart artikel van een omverpakking als die ook zelfstandig wordt gekocht, verkocht of beheerd.
Als een palletnummer als artikel in de stam staat, krijg je al snel schijnvoorraad: de inhoud staat als losse stuks geboekt én de pallet staat nog eens als aparte code in het systeem.
Eenheden consequent maken: stuk, doos en pallet mogen niet zweven
Voorraadtellingen ontsporen vaak door eenheden, niet door aantallen. In ERP-omgevingen werk je daarom met vaste eenheidsstructuren. De Microsoft-documentatie voor Inventory Control noemt het opzetten van unit of measure schedules als onderdeel van de voorraadinrichting. Dat past bij een simpele regel: één basiseenheid voor voorraad, duidelijke conversies voor verpakking en inkoop.
Werk daarom met deze beslisregels:
- Kies één telbasis, meestal stuk of meter.
- Leg verpakkingsrelaties vast, bijvoorbeeld 1 doos = 24 stuks.
- Verbied vrije interpretatie: “ongeveer halve doos” hoort niet in stamdata.
- Controleer scannerlabels: labeltekst en systeemeenheid moeten overeenkomen.
Fictief voorbeeld: als artikel A in de stam als stuk wordt gevoerd, maar de telploeg noteert dozen en de inkoop boekt pallets, dan kan een klein verschil in omrekening direct tientallen stuks afwijking veroorzaken zonder dat er fysiek iets mis is.
Wie de magazijninrichting tegelijk tegen het licht houdt, kan dit onderwerp logisch laten aansluiten op locatiebeheer met vaste of dynamische locaties en op de bredere rol van een warehouse management systeem.
Statusbeheer bepaalt wat wel en niet in de telling hoort
Niet elk artikel in je artikelstam hoort op de telformulieren. In de Microsoft-handleiding voor Inventory Control zie je terug dat itemtypen verschillend worden behandeld en dat hoeveelheden niet voor elk type op dezelfde manier worden bijgehouden. Dat is een nuttige gedachte, ook buiten Dynamics GP: tel alleen records die voorraadtechnisch betekenis hebben.
Gebruik minimaal deze statussen:
- Actief telbaar: regulier in voorraad en uitleverbaar.
- Actief niet-telbaar: service, administratie of virtueel artikel.
- Uitlopend: nog restvoorraad, geen nieuwe inkoop.
- Geblokkeerd: quarantaine, kwaliteitsissue of onderzoek.
- Inactief: historisch record, geen transacties meer toegestaan.
Zorg dat elke status ook systeemgedrag stuurt. Een status zonder blokkades is alleen een etiket. Vooral bij uitlopende artikelen is dat belangrijk: zolang er nog fysieke voorraad is, moet het artikel zichtbaar blijven voor telling en afwikkeling; pas daarna kan definitieve inactivatie volgen.
Praktische checklist vóór de telstart
- Exporteer de artikelstam en markeer records zonder duidelijke eigenaar.
- Zoek op dubbele barcode, dubbele omschrijving en afwijkende verpakkingscodes.
- Controleer of elke verkoopvariant een eigen unieke productcode heeft.
- Scheid productcodes van logistieke codes zoals pallet- of zendingidentificatie.
- Stel per artikel één basiseenheid en vaste omrekeningen vast.
- Blokkeer oude of foutieve records voor nieuwe boekingen.
- Filter artikeltypen zonder relevante voorraadregistratie uit de telling.
- Beoordeel artikelen met status uitlopend of geblokkeerd apart.
- Leg vast welke locaties, bins of sites wel en niet meetellen.
- Beperk waar mogelijk mutaties tijdens de telling, zodat de uitkomst beter vergelijkbaar blijft.
Wat je na de opschoning wilt zien
Een opgeschoonde artikelstam levert geen perfecte voorraad op, maar wel een telling die interpreteerbaar is. Je wilt na de opschoning drie dingen kunnen aantonen:
- elk telbaar artikel heeft één leidende code;
- de telhoeveelheid is herleidbaar naar een vaste basiseenheid;
- de status van een artikel bepaalt of het wel of niet in de telling zit.
Als dat niet lukt, heeft een extra telronde meestal weinig zin. Dan moet eerst de stamdata verder op orde komen, voordat de fysieke telling echt iets bewijst.
FAQ: Moet elk kleur- of maatverschil een eigen artikelcode krijgen?
Als de variant afzonderlijk wordt verkocht of logistiek apart wordt beheerd, is een eigen unieke productcode meestal nodig. GS1 koppelt unieke identificatie juist aan de afzonderlijke productvariant.
FAQ: Is een palletnummer hetzelfde als een artikelnummer?
Nee. Een productcode identificeert het artikel zelf. Een pallet- of verzendlabel gebruik je normaal om een logistieke eenheid te volgen, niet als vervanging van het artikelnummer.
FAQ: Kun je inactieve artikelen gewoon laten staan?
Ja, als historische referentie wel. Maar blokkeer ze voor nieuwe transacties en voorkom dat ze opnieuw op telstaten, inkoopregels of scannerkeuzes verschijnen.
Deze uitleg is samengesteld met AI en gecontroleerd aan de hand van de vermelde bronnen. Lees over de redactie en onze werkwijze. Er is geen afzonderlijke beoordeling door een menselijke vakspecialist uitgevoerd.